Lijzig

Lijzig


'Dank U' zei Dottie met moeite.


Ze was uit het Mid-Westen afkomstig, en haar nasale accent vormde een schril contrast met Lena's zachte, lijzige tongval.


(Zoenoffer, Karin Slaughter)

lij·zig (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord)
1 saai, slepend: lijzig spreken

Ook:

dreinerig lang en dun langzaam log loom saai
slof slungelachtig slungelig sloom suf taai
temerig traag zacht zalvend zeurderig zeurig

Voorbeeld: Hij heeft echt een lijzige uitstraling.
Spelling: komt voor in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie en in de spellingwoordenlijst van OpenTaal.
Bekendheid van het woord: 90% van de Nederlanders en 69% van de Vlamingen kennen het woord 'lijzig'.

 

Lees meer op:
Algemeen: Van Dale, Woorden.org, Encyclo.nl
Spelling: Woordenlijst Nederlandse Taal en OpenTaal
Bekendheid van het woord: Centrum voor Leesonderzoek
Herkomst:  Etymologiebank